DE VRIESE GEERT & VAN LAEKEN FRANK, INFERNO – De brand in de Innovation, 2017

22 mei 1967, een druilige maandag. Anderlecht is pas kampioen geworden, Eddy Merckx rijdt zijn eerste grote wielerronde, Elvis Presley is net getrouwd en de oorlog in Vietnam escaleert. In de Brusselse Nieuwstraat lopen keurig geklede mannen en vrouwen rond. Voor hun inkopen hebben ze de grootwarenhuizen voor het uitkiezen.
Iets voor half twee. Een verkoopster ziet op de eerste verdieping van de majestueuze Innovation, een bouwwerk van architect Victor Horta, rook opkringelen uit de opslagplaats van de afdeling kinderkleding. Niemand kan op dat ogenblik vermoeden dat een van de grootste rampen uit de Belgische geschiedenis zich begint te voltrekken. Officieel komen 251 klanten en personeelsleden om in de vuurzee. Andere bronnen hebben het zelfs over 323 doden en vermisten.
Op pagina 33:
Maandag 22 mei, de dag van de brand – Edmond Piron is nog niet uit het brandende gebouw geraakt.
De Aalsterse Innovationklant zit te eten in het restaurant als duidelijk wordt dat het echt wel alarmfase rood is, en geen brandoefening of een belsignaal voor de middagpauze van het personeel. Hij beseft dat hij weg moet. Naar buiten, zo snel mogelijk. ‘We stonden voor een ijzeren poort. Mensen klauterden daarop, maar ze moesten dan naar beneden springen, ongeveer anderhalve meter diep. Doordat dat mensen waren van een zekere ouderdom, waren die niet zo vlug’, doet hij in 1977 zijn verhaal bij Jan Van Rompaey in het BRT-televisiemagazine Terloops. ‘Ik weet niet hoe lang ik daar al zat toen ik besefte: “Ik moet een andere weg zoeken.” Dan ben ik teruggegaan. Ondertussen was de brand nog heviger geworden en ik kon absoluut niet meer langs een roltrap naar beneden. Die waren stilgevallen, ze stonden in brand. Overal zag je vuur, op elke verdieping. Langs een vaste trap ben ik nog tot op het tweede geraakt. Daar was het ook volop aan het branden. Dan zijn we geblokkeerd geweest op de trap rond de lift. De mensen die van beneden naar boven gekomen waren, zaten ook op het tweede, samen met de mensen die van het derde naar beneden waren gelopen. Iedereen werd op elkaar gedrukt, het was daar pikkedonker van de rook, met af en toe een donkerrood schijnsel waardoor je je min of meer een beetje kon oriënteren.’
Piron krijgt het moeilijk. Tranen wellen op, zijn stem trilt. ‘De ene pakte de andere vast om weg te geraken. Stampen, drummen… Op die trap heb ik een kindje bij mij gehad – een jongetje van een jaar of tien, twaalf, veronderstel ik – dat om zijn mama riep. Door het trekken van die mensen, die daar door elkaar op die trappen lagen, ben ik da manneke kwijtgeraakt. Ik was op dat moment min of meer onverschillig geworden. Ik had geen moed meer, ik dacht aan mijn kinderen, maar toen er iemand aan mijn kleren trok of zo, heb ik me toch omhooggetrokken aan een traliewerk van de lift, tot op de vloer van het tweede. Ik ben dan verder gelopen – of gekropen, dat weet ik niet meer – ik heb daar een deur opengestampt, en daar was de rook veel minder. Ik kon zien dat ik in een vestiaire terechtgekomen was waar mensen hun kleren konden afgeven.
Aan het einde van die vestiaire waren damestoiletten. Daar ben ik binnengegaan.
‘De mensen die daar zaten – dat waren er ongeveer vijftig, maar het kunnen er ook zestig geweest zijn, in zo’n kleine ruimte – waren aan het huilen, aan het roepen, aan het schreeuwen, aan het bidden… Er zaten er op hun knieën die zegden: “C’est notre cercueil, het is onze doodskist.” Ik heb alles gedaan wat mogelijk was om een beetje lucht te kunnen trekken. Ik ben op het toilet gaan staan, toen de mensen tegen mij zegden: “Pak ne keer nen hamer en slaat die ruit kapot.” Toen heb ik mijn schoen genomen, omdat er niks voorhanden was, maar dat heeft ook niks gegeven, natuurlijk. Ik heb mijn kleren uitgespeeld, mijn schoenen, mijn vest… Mijn portefeuille was op de grond gevallen. Die heb ik in mijn slip gestoken, met het gedacht: “Ik zal hem misschien bijhouden, ze zullen mij misschien vinden?”’ Pirons tem stokt. ‘Met mijn gezicht tegen het plafond aan,‘ herneemt hij na een paar seconden beklemmende stilte, ‘dan mijn ene been door het vensterke van dat toilet, dan mijn andere, en zo ben ik er stilaan kunnen uitkruipen. Mensen aan de andere kant van de luchtkoker waarin ik terechtgekomen was – keukenpersoneel – hebben mij een hand gereikt om mij te helpen in het andere raam te springen. Van daaruit hebben ze mij ook geholpen tot op het dak te komen.’
Wie hem precies heeft gered, weet Edmond Piron in 1977 nog steeds niet. Hij is weggebracht met een ambulance en hij verblijft twee maanden in een ziekenhuis met zware brandwonden en verschroeide longen.
Half blind ook, maar hij leeft nog.
Op pagina 156
Donderdag 1 juni, dag 10 na de brand, 11u10 – Bomalarm bij de Innovation. In de vestiging in de – de naam alleen al – Nieuwstraat in Aalst dit keer.
‘Er is een bom geplaatst die om drie uur zal ontploffen, de winkel kan tegen dan maar beter ontruimd zijn!’ De telefoniste vraagt wie ze aan de lijn heeft. ‘Voor Vietnam!’ is het enige antwoord. Evacueren, alles doorzoeken, niets vinden, het intussen veel te vertouwde scenario.