De eerste dagen van de oorlog in Aalst: chaos, vlucht en plundering
Moderators: Alostum, janlouies, david
Diefstal en heling van een auto te Aalst tussen 13 mei 1940 en 5 juni 1940
Diefstal en heling van een auto te Aalst tussen 13 mei 1940 en 5 juni 1940
eersten Juli veertig om 10 u. voormiddag
Voor ons DE VEYLDER Alfred, Adjunkt-Politie ……… verschijnt:
LEDEGEN Michel, 52 j., landmeter-bouwkundige, wonende te Brussel, rue Artan 19, die ons verklaart wat volgt:
“Den 10 mei ll. rond 17 u. heb ik wegens defekt mijn auto geplaatst in de garage SCHILLEMANS, Brabantstraat alhier. Den 15 mei ll. stond mijn auto nog in de garage.
Den 5 juni ll. was mijn auto er weg. Door tusschenkomst van den garagist SCHILLEMANS heb ik den 18 juni ll. mijn auto teruggevonden op de koer van DE BACKER Frans, Brabantstraat. Met behulp van mr. SCHILLEMANS en zijne twee werktuigkundigen heb ik mijn auto van den koer gehaald.
Mijn auto is beschadigd aan de slijkweerders, het koetswerk, de schokbrekers en de versierstof van binnen. Er was verdwenen, het reservewiel, de koffer en een groot binnenkussen.
In mijn auto stak mijn getuigschrift van Hoogere Technische School van Brussel om met den auto te rijden en nu had DE BACKER dit getuigschrift in zijn zak.
Na lang aandringen heeft DE BACKER mij het reservewiel en de koffer teruggeven, het binnenkussen niet.
Ik heb vroeger geen klacht komen doen omdat ik aan DE BACKER voorgesteld had mij 1000 fr. schadevergoeding te betalen, doch nu weigert hij dat voorstel aan te nemen.
Ik heb mijn auto ter herstelling in de garage SCHILLEMANS gedaan.”
Wij onderhooren daarover:
SCHILLEMANS Frans, 48 j. garagist, wonende te Aalst, Brabantstraat 47, die ons verklaart wat volgt:
“Mr. LEDEGEN had den 10 mei ll. zijn auto bij mij geplaatst wegens herstelling. Wegens beschieting der stad denzelfden dag was ik moeten wegvluchten. Den 11 juni ll. bij mijne terugkomst was den auto weg. Den 13 juni zag ik dien auto staan op de koer van het huis van DE BACKER Emiel. Ik vroeg hem wat die auto daar stond te doen, die uit mijne garage kwam, waarop DE BACKER Emiel mij antwoordde: “Dat is eene zaak om met mijn broeder af te handelen”. Ik heb daarvan Mr. LEDEGEN op de hoogte gebracht.”
DE BACKER Frans, 46 j. modelmaker, wonende te Aalst, Brabantstraat 45, die ons verklaart wat volgt:
“Tijdens dat nog vele menschen uit de stad waren, zag ik duitsche soldaten een auto uit de garage SCHILLEMANS weghalen. Ik zegde hen dat het den auto van mijn broeder was en nadat zij er weg en weder mede gereden hadden en dat den auto erg beschadigd was, heb ik hem op 23 of 24 mei 1940 gekocht voor 500 fr. denkende dit aan den eigenaar te laten weten om alzoo mijn geld, zijnde 500 fr. terug te bekomen.”
Waarvan akte te Aalst, 11 juli 1940.
De Adjunkt-Politiecommissaris.
eersten Juli veertig om 10 u. voormiddag
Voor ons DE VEYLDER Alfred, Adjunkt-Politie ……… verschijnt:
LEDEGEN Michel, 52 j., landmeter-bouwkundige, wonende te Brussel, rue Artan 19, die ons verklaart wat volgt:
“Den 10 mei ll. rond 17 u. heb ik wegens defekt mijn auto geplaatst in de garage SCHILLEMANS, Brabantstraat alhier. Den 15 mei ll. stond mijn auto nog in de garage.
Den 5 juni ll. was mijn auto er weg. Door tusschenkomst van den garagist SCHILLEMANS heb ik den 18 juni ll. mijn auto teruggevonden op de koer van DE BACKER Frans, Brabantstraat. Met behulp van mr. SCHILLEMANS en zijne twee werktuigkundigen heb ik mijn auto van den koer gehaald.
Mijn auto is beschadigd aan de slijkweerders, het koetswerk, de schokbrekers en de versierstof van binnen. Er was verdwenen, het reservewiel, de koffer en een groot binnenkussen.
In mijn auto stak mijn getuigschrift van Hoogere Technische School van Brussel om met den auto te rijden en nu had DE BACKER dit getuigschrift in zijn zak.
Na lang aandringen heeft DE BACKER mij het reservewiel en de koffer teruggeven, het binnenkussen niet.
Ik heb vroeger geen klacht komen doen omdat ik aan DE BACKER voorgesteld had mij 1000 fr. schadevergoeding te betalen, doch nu weigert hij dat voorstel aan te nemen.
Ik heb mijn auto ter herstelling in de garage SCHILLEMANS gedaan.”
Wij onderhooren daarover:
SCHILLEMANS Frans, 48 j. garagist, wonende te Aalst, Brabantstraat 47, die ons verklaart wat volgt:
“Mr. LEDEGEN had den 10 mei ll. zijn auto bij mij geplaatst wegens herstelling. Wegens beschieting der stad denzelfden dag was ik moeten wegvluchten. Den 11 juni ll. bij mijne terugkomst was den auto weg. Den 13 juni zag ik dien auto staan op de koer van het huis van DE BACKER Emiel. Ik vroeg hem wat die auto daar stond te doen, die uit mijne garage kwam, waarop DE BACKER Emiel mij antwoordde: “Dat is eene zaak om met mijn broeder af te handelen”. Ik heb daarvan Mr. LEDEGEN op de hoogte gebracht.”
DE BACKER Frans, 46 j. modelmaker, wonende te Aalst, Brabantstraat 45, die ons verklaart wat volgt:
“Tijdens dat nog vele menschen uit de stad waren, zag ik duitsche soldaten een auto uit de garage SCHILLEMANS weghalen. Ik zegde hen dat het den auto van mijn broeder was en nadat zij er weg en weder mede gereden hadden en dat den auto erg beschadigd was, heb ik hem op 23 of 24 mei 1940 gekocht voor 500 fr. denkende dit aan den eigenaar te laten weten om alzoo mijn geld, zijnde 500 fr. terug te bekomen.”
Waarvan akte te Aalst, 11 juli 1940.
De Adjunkt-Politiecommissaris.
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
Plundering van allerhande voorwerpen ten nadele van Moens de Hase Henri te Aalst op 19-20 of 21 mei 1940
11de Juli veertig om 14 uur 30
Plundering van allerhande voorwerpen ten nadeele van Moens de Hase Henri te Aalst, den 19-20 of 21 mei 1940
Voor ons Schollaert Jozef, adjunkt-politie …………… verschijnt:
Moens de Hase Henri, oud 55 jaar, nijveraar, wonende te Aalst, Albrechtlaan nr. 15, die ons de volgende klacht doet:
“Tijdens ik op de vlucht was is er op 29-20 of 21 mei 1940 in mijne woning geplunderd en allerhande voorwerpen zijn uit mijn huis verdwenen. Ik heb vernomen dat duitsche soldaten de plunderij zouden begaan hebben en dat ze ook allerhande linnengoed van mij en van mijn huisgenooten zouden weggegeven hebben aan burgers van de stad.
Men is mij komen zeggen dat bij zekere Marie Muylaert echtgenoot Van den Broeck, Binnenstraat en bij zekeren Poleyn echt. Goossens, Binnenstraat, linnengoed van mij zouden berusten. Ik heb dit alles vernomen van de dochter van Rosalie Van Damme, Binnenstraat, die mij gevraagd heeft om niet genoemd te worden.”
Wij opsteller vragen aan den heer Procureur des Konings, ons een mandaat tot huiszoeking te willen afleveren, alvorens ons onderzoek voort te zetten.
Waarvan akte den 11 juli 1940.
(get.)
Moens de Hase Henri is bereid ons te vergezellen bij de huiszoeking.
(get.)
Plundering van allerhande voorwerpen ten nadeele van Moens de Hase Henri te Aalst, den 19-20 of 21 mei 1940
Voor ons Schollaert Jozef, adjunkt-politie …………… verschijnt:
Moens de Hase Henri, oud 55 jaar, nijveraar, wonende te Aalst, Albrechtlaan nr. 15, die ons de volgende klacht doet:
“Tijdens ik op de vlucht was is er op 29-20 of 21 mei 1940 in mijne woning geplunderd en allerhande voorwerpen zijn uit mijn huis verdwenen. Ik heb vernomen dat duitsche soldaten de plunderij zouden begaan hebben en dat ze ook allerhande linnengoed van mij en van mijn huisgenooten zouden weggegeven hebben aan burgers van de stad.
Men is mij komen zeggen dat bij zekere Marie Muylaert echtgenoot Van den Broeck, Binnenstraat en bij zekeren Poleyn echt. Goossens, Binnenstraat, linnengoed van mij zouden berusten. Ik heb dit alles vernomen van de dochter van Rosalie Van Damme, Binnenstraat, die mij gevraagd heeft om niet genoemd te worden.”
Wij opsteller vragen aan den heer Procureur des Konings, ons een mandaat tot huiszoeking te willen afleveren, alvorens ons onderzoek voort te zetten.
Waarvan akte den 11 juli 1940.
(get.)
Moens de Hase Henri is bereid ons te vergezellen bij de huiszoeking.
(get.)
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
plundering van het van Schelfout Frans
Plundering van het huis
nr. 69, van den Dender-
mondschen steenweg,
bewoond door Schelfout
Frans, te Aalst, tus-
Schen 17 en 20-5-1940
14 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ………………….verschijnt:
SCHELFOUT FRANS, oud 44 jaar, technieker, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 69, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Op 17-5-1940, rond 7 uur, heb ik mijn huis verlaten nadat mijn gezin reeds vertrokken was. Op 20-5-1940, rond 18 uur ben ik weer thuis gekomen en stelde alsdan vast dat er in mijn huis geplunderd was. Een bed op de achterkamer had beslapen geweest, de deur van den koer was opengebroeken insgelijks een venster van de achterkamer, die men waarschijnlijk zal bereikt hebben bij middel van een ladder die op mijn koer lag.
De volgende voorwerpen zijn uit mijn huis verdwenen:
2 radioapparaten ECHOPHONE, met ingebouwde luidspreker;
1 radioapparaat ECHOETTE, insgelijks met ingebouwde luidspreker;
1 damesrijwiel merk NERVA;
1 herenrijwiel zonder merk (vernieuwd);
1 gouden ring met versiersel, gegraveerd Letter F;
1 gouden broche (vlinder).
Ik voeg hierbij een lijst van de verdwenen voorwerpen met hun kostprijs, juist zooals ik het als oorlogsschade heb aangegeven en waar men mij ter kennis heeft gebracht dat ik bij de politie moest klacht neerleggen wegens plundering ten laste van onbekenden.
Ik kan geen getuigen aangeven en weet niet of de plundering het werk is van soldaten of burgers. De wijk was gansch verlaten.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Waarvan akte te Aalst, den 14-7-1940.
Hierbijgevoegd een lijst ons overhandigd en onderteekend door Schelfout Frans.
Waarvan akte.
nr. 69, van den Dender-
mondschen steenweg,
bewoond door Schelfout
Frans, te Aalst, tus-
Schen 17 en 20-5-1940
14 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ………………….verschijnt:
SCHELFOUT FRANS, oud 44 jaar, technieker, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 69, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Op 17-5-1940, rond 7 uur, heb ik mijn huis verlaten nadat mijn gezin reeds vertrokken was. Op 20-5-1940, rond 18 uur ben ik weer thuis gekomen en stelde alsdan vast dat er in mijn huis geplunderd was. Een bed op de achterkamer had beslapen geweest, de deur van den koer was opengebroeken insgelijks een venster van de achterkamer, die men waarschijnlijk zal bereikt hebben bij middel van een ladder die op mijn koer lag.
De volgende voorwerpen zijn uit mijn huis verdwenen:
2 radioapparaten ECHOPHONE, met ingebouwde luidspreker;
1 radioapparaat ECHOETTE, insgelijks met ingebouwde luidspreker;
1 damesrijwiel merk NERVA;
1 herenrijwiel zonder merk (vernieuwd);
1 gouden ring met versiersel, gegraveerd Letter F;
1 gouden broche (vlinder).
Ik voeg hierbij een lijst van de verdwenen voorwerpen met hun kostprijs, juist zooals ik het als oorlogsschade heb aangegeven en waar men mij ter kennis heeft gebracht dat ik bij de politie moest klacht neerleggen wegens plundering ten laste van onbekenden.
Ik kan geen getuigen aangeven en weet niet of de plundering het werk is van soldaten of burgers. De wijk was gansch verlaten.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Waarvan akte te Aalst, den 14-7-1940.
Hierbijgevoegd een lijst ons overhandigd en onderteekend door Schelfout Frans.
Waarvan akte.
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
Plundering van de herberg, gehouden door Van den Broucke Ed-mond
Plundering van de herberg, gehouden door Van den Broucke Edmond, te Aalst, den tusschen 17 en 20-5-1940
13 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ……………….. handelende als gevolg aan de hierbijgaande klacht, in datum van 13-7-1940, uitgaande van Van den Broucke Edmond onderhooren:
VAN DEN BROUCKE EDMOND, oud 34 jaar, plaatbewerker, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 9, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Op 17-5-1940, rond 18 uur ben ik thuis gekomen, soldaat zijnde. Mijne vrouw was, niet meer thuis en in mijn herberg zaten soldaten en gendarmen te drinken. De soldaten tapten en namen flesschen en deden of ze thuis waren. Ik heb mij ook een glas bier getapt en heb aan de personen die in het huis waren ongeveer 30 in getal dat ze het huis moesten verlaten. Daarop is een gendarm gekomen en heeft mij de eenzelvigheidskaart gevraagd. Na een uur verblijf in mijn huis ben ik vertrokken en dan was den geuze-lambic nog immer in den kelder, ook de safir en export.
Op 4-6-1940 ben ik naar huis gekomen en vernam van mijne echtgenoote dat al wat mijn herberg inhield alsook kleedingstukken, rijwiel en zakhorlogie verdwenen waren. Ik geef als getuigen, ’t is te zeggen personen die den staat van mijn huis gezien hebben toen mijn vrouw is teruggekomen. De Paep, Denderstraat 8 en Schelfout Frans, Dendermondschen steenweg.
Getuigen die de plundering gezien hebben kan ik niet aangeven.
Ik overhandig u een lijst door mij ondergeteekend en die de trouwe weergave is van het verdwenen goed in mijn huis.
Ik heb geen klacht gedaan en het is als ik de plundering als oorlogschade heb aangegeven dat men mij ter kennis heeft gebracht dat ik moets klacht doen bij de politie.”
Na lezing volhart in zijne verklaring en naamteekent met ons.
SCHELFOUT FRANS, oud 44 jaar, technieker, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 69, die ons verklaart wat volgt:
“Ik heb eenige dagen in het huis nr. 9 van den Dendermondschen steenweg doorgebracht, zelf in den kelder geslapen en heb er gezien dat den kelder goed voorzien was. Bepaald kan ik niet zeggen wat. Na mijn terugkomst in de stad heb ik nog dagen in het huis doorgebracht en alsdan heb ik gezien dat al den drank verdwenen was, dat is alles wat ik daarover kan zeggen.”
Na lezing voldhardt en naamteekent.
VAN DER SCHUEREN JULIETTE, oud 38 jaar, echtgenoote van Van den Broucke Edmond, herbergierster, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 9, die ons verklaart wat volgt:
“Op 17-5-1940 rond 5 uur heb ik mijn huis verlaten en ben terug gekeerd op 20-5-1940, rond 19 uur. Bij mijn vertrek was er nog niet in mijn huis gebeurd en toen ik terugkwam stond alles wijd open en al den drank was verdwenen, ook kleedingstukken een damesrijwiel en een zakuurwerk. Mijn echtgenoot heeft mij ter kennis gebracht dat hij op 17-5-1940 even thuis was geweest en dat de soldaten en gendarmen bezig waren mijn drank af te drinken.
Zekeren De Schryver Emmanuel heeft mij verteld dat hij in mijn huis is geweest toen wij reeds vertrokken waren en dat de soldaten hem vroegen wat er hem beliefde, dat het huis opgepropt was met soldaten.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
DE SCHRYVER EMMANUEL, oud 75 jaar, gepensionneerde, wonende alhier, Pieter Couckestraat 26, verklaart wat volgt:
“Op vrijdag 17-5-1940 was ik eens tot aan de Zeshoek gegaan, binst dat het geschut was opgehouden was. Toen ik aan de herberg “den Turk” was, hoorde ik opeens de sirène en sprong de herberg binnen gehouden Van den Broucke Edmond. Toen ik binnenkwam vroeg een gendarm mij wat ik dronk; ik antwoordde dat ik binnengekomen was omdat ik de bazin en baas goed kende en het te wijd was om in den kelder naar huis te loopen. Ik heb alsdan gezien dat verscheidene gendarmen bezig waren hun glas te drinken. Men bracht mij ter kennis dat de bewoners gevlucht waren. Dat is alles wat ik daarover weet. Die gendarmen waren mij totaal onbekend.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Waarvan akte te Aalst, den 14-7-1940
13 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ……………….. handelende als gevolg aan de hierbijgaande klacht, in datum van 13-7-1940, uitgaande van Van den Broucke Edmond onderhooren:
VAN DEN BROUCKE EDMOND, oud 34 jaar, plaatbewerker, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 9, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Op 17-5-1940, rond 18 uur ben ik thuis gekomen, soldaat zijnde. Mijne vrouw was, niet meer thuis en in mijn herberg zaten soldaten en gendarmen te drinken. De soldaten tapten en namen flesschen en deden of ze thuis waren. Ik heb mij ook een glas bier getapt en heb aan de personen die in het huis waren ongeveer 30 in getal dat ze het huis moesten verlaten. Daarop is een gendarm gekomen en heeft mij de eenzelvigheidskaart gevraagd. Na een uur verblijf in mijn huis ben ik vertrokken en dan was den geuze-lambic nog immer in den kelder, ook de safir en export.
Op 4-6-1940 ben ik naar huis gekomen en vernam van mijne echtgenoote dat al wat mijn herberg inhield alsook kleedingstukken, rijwiel en zakhorlogie verdwenen waren. Ik geef als getuigen, ’t is te zeggen personen die den staat van mijn huis gezien hebben toen mijn vrouw is teruggekomen. De Paep, Denderstraat 8 en Schelfout Frans, Dendermondschen steenweg.
Getuigen die de plundering gezien hebben kan ik niet aangeven.
Ik overhandig u een lijst door mij ondergeteekend en die de trouwe weergave is van het verdwenen goed in mijn huis.
Ik heb geen klacht gedaan en het is als ik de plundering als oorlogschade heb aangegeven dat men mij ter kennis heeft gebracht dat ik moets klacht doen bij de politie.”
Na lezing volhart in zijne verklaring en naamteekent met ons.
SCHELFOUT FRANS, oud 44 jaar, technieker, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 69, die ons verklaart wat volgt:
“Ik heb eenige dagen in het huis nr. 9 van den Dendermondschen steenweg doorgebracht, zelf in den kelder geslapen en heb er gezien dat den kelder goed voorzien was. Bepaald kan ik niet zeggen wat. Na mijn terugkomst in de stad heb ik nog dagen in het huis doorgebracht en alsdan heb ik gezien dat al den drank verdwenen was, dat is alles wat ik daarover kan zeggen.”
Na lezing voldhardt en naamteekent.
VAN DER SCHUEREN JULIETTE, oud 38 jaar, echtgenoote van Van den Broucke Edmond, herbergierster, wonende alhier, Dendermondschen steenweg 9, die ons verklaart wat volgt:
“Op 17-5-1940 rond 5 uur heb ik mijn huis verlaten en ben terug gekeerd op 20-5-1940, rond 19 uur. Bij mijn vertrek was er nog niet in mijn huis gebeurd en toen ik terugkwam stond alles wijd open en al den drank was verdwenen, ook kleedingstukken een damesrijwiel en een zakuurwerk. Mijn echtgenoot heeft mij ter kennis gebracht dat hij op 17-5-1940 even thuis was geweest en dat de soldaten en gendarmen bezig waren mijn drank af te drinken.
Zekeren De Schryver Emmanuel heeft mij verteld dat hij in mijn huis is geweest toen wij reeds vertrokken waren en dat de soldaten hem vroegen wat er hem beliefde, dat het huis opgepropt was met soldaten.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
DE SCHRYVER EMMANUEL, oud 75 jaar, gepensionneerde, wonende alhier, Pieter Couckestraat 26, verklaart wat volgt:
“Op vrijdag 17-5-1940 was ik eens tot aan de Zeshoek gegaan, binst dat het geschut was opgehouden was. Toen ik aan de herberg “den Turk” was, hoorde ik opeens de sirène en sprong de herberg binnen gehouden Van den Broucke Edmond. Toen ik binnenkwam vroeg een gendarm mij wat ik dronk; ik antwoordde dat ik binnengekomen was omdat ik de bazin en baas goed kende en het te wijd was om in den kelder naar huis te loopen. Ik heb alsdan gezien dat verscheidene gendarmen bezig waren hun glas te drinken. Men bracht mij ter kennis dat de bewoners gevlucht waren. Dat is alles wat ik daarover weet. Die gendarmen waren mij totaal onbekend.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Waarvan akte te Aalst, den 14-7-1940
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
diefstal van een fiets ten nadele van Van Praet Jozef
Diefte van een rijwiel ten nadeele van Van Praet Jozef te Aalst, den 11 Juli 1940
11 Juli 1940
Voor ons Schollaert Joezef, adjunkt-politie ……………… verschijnt:
Van Praet Jozef, oud 26 jaar, schrijnwerker, wonende te Moorsel Eikenstraat nr. 13, die de volgende klacht doet:
“Heden 11 Juli 1940, tusschen 15 uur 45 en 16 uur 15, werd mijn rijwiel die ik had laten staan in de Kattestraat, buiten op de straat aan de bureelen der werkbeurs gestolen, terwijl ik in een van de bureelen binnen was.
Ik heb niet gezien wie het rijwiel gestolen heeft of heb op niemand vermoedens.
Het was een zwarten velo met gekromde buis, zwarte stuurstang, voettrappers in rubber, op den kop van het rijwiel stond de Italiaansche vlag, wit – rood en zwart, ook stond op den kop van den velo een plaatje met een hondje erop. Het rijwiel droeg het merk “max”. er was eene kas om de ketting, en de kas die vroeger over het achterwiel was, was er afgedaan.
Het rijwiel was 2 jaar oud en had 600 fr. gekost, de taksplaat droeg het nr. 77594.”
Waarvan akte 15 Juli 1940
11 Juli 1940
Voor ons Schollaert Joezef, adjunkt-politie ……………… verschijnt:
Van Praet Jozef, oud 26 jaar, schrijnwerker, wonende te Moorsel Eikenstraat nr. 13, die de volgende klacht doet:
“Heden 11 Juli 1940, tusschen 15 uur 45 en 16 uur 15, werd mijn rijwiel die ik had laten staan in de Kattestraat, buiten op de straat aan de bureelen der werkbeurs gestolen, terwijl ik in een van de bureelen binnen was.
Ik heb niet gezien wie het rijwiel gestolen heeft of heb op niemand vermoedens.
Het was een zwarten velo met gekromde buis, zwarte stuurstang, voettrappers in rubber, op den kop van het rijwiel stond de Italiaansche vlag, wit – rood en zwart, ook stond op den kop van den velo een plaatje met een hondje erop. Het rijwiel droeg het merk “max”. er was eene kas om de ketting, en de kas die vroeger over het achterwiel was, was er afgedaan.
Het rijwiel was 2 jaar oud en had 600 fr. gekost, de taksplaat droeg het nr. 77594.”
Waarvan akte 15 Juli 1940
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
diefstal van een rijwiel ten nadele van Appelmans Jozef
Diefte van een rijwiel ten nadeel van Appelmans Jozef te Aalst tusschen 11 Mei en 1 Juli 1940
15 Juli 1940
Voor ons Schollaert Jozef, adjunkt-politie ………….. verschijnt:
Appelmans Jozef, oud 45 jaar, handelaar, wonende te Aalst, Korte Zoutstraat nr. 5 die ons de volgende klacht doet:
“Op 11 Mei 1940 in de namiddag ben ik per auto en met mijn huisgenooten op de vlucht gegaan. Mijn rijwiel stond alsdan in mijn magazijn gestaan Stoofstraat alhier. Ik weet goed at het rijwiel er alsdan nog stond vermits ik op dat oogenblik mijn auto uit het zelfde magazijn gehaald heb om er mede te gaan vluchten. Ik had de poort van mijn magazijn met den sleutel gesloten.
Op 1 Juli 1940 ben ik terug in Aalst gekomen. Mijn magazijn stond nog opgesloten en niets was er aan het slot van de poort op te merken. Niettemin heb ik moeten vaststellen dat mijn rijwiel verdwenen was. In dat magazijn was anders niets aangeroerd.
Ik moet u nochtans zeggen dat ik sedert een 3 tal-maanden den sleutel ben kwijt geweest van de poort van mijn magazijn.
Of men in het magazijn geweest is langs de poort bij middel van valsche sleutel weet ik niet.
Mijn rijwiel was zwart geschilderd, een torpedo, licht zwarte stuurstang, slijk weerders, stoeltje op achterwiel en electrisch licht van voren en langs achter, de taksplaat die er aangehecht was droeg het nummer 066532.”
Waarvan akte den 15 Juli 1940
15 Juli 1940
Voor ons Schollaert Jozef, adjunkt-politie ………….. verschijnt:
Appelmans Jozef, oud 45 jaar, handelaar, wonende te Aalst, Korte Zoutstraat nr. 5 die ons de volgende klacht doet:
“Op 11 Mei 1940 in de namiddag ben ik per auto en met mijn huisgenooten op de vlucht gegaan. Mijn rijwiel stond alsdan in mijn magazijn gestaan Stoofstraat alhier. Ik weet goed at het rijwiel er alsdan nog stond vermits ik op dat oogenblik mijn auto uit het zelfde magazijn gehaald heb om er mede te gaan vluchten. Ik had de poort van mijn magazijn met den sleutel gesloten.
Op 1 Juli 1940 ben ik terug in Aalst gekomen. Mijn magazijn stond nog opgesloten en niets was er aan het slot van de poort op te merken. Niettemin heb ik moeten vaststellen dat mijn rijwiel verdwenen was. In dat magazijn was anders niets aangeroerd.
Ik moet u nochtans zeggen dat ik sedert een 3 tal-maanden den sleutel ben kwijt geweest van de poort van mijn magazijn.
Of men in het magazijn geweest is langs de poort bij middel van valsche sleutel weet ik niet.
Mijn rijwiel was zwart geschilderd, een torpedo, licht zwarte stuurstang, slijk weerders, stoeltje op achterwiel en electrisch licht van voren en langs achter, de taksplaat die er aangehecht was droeg het nummer 066532.”
Waarvan akte den 15 Juli 1940
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
Plundering van koopwaar ten nadele van Hippoliet Backaert
Belgische soldaten
Plundering van allerhande koopwaar, ten nadeele van Backaert Hippoliet, op 17 Mei 1940
13 Juli veertig
Voor ons Schollaert Jozef, adjunkt-politie ……………….. verschijnt:
Backaert Hippoliet, oud 35 jaren, winkelier, wonende te Aalst, Brusselschestraat nr. 6/2 die ons de volgende klacht doet:
“Op 17 Mei 1940; tijdens ik op de vlucht was en mijn woning onbewoond stond werden bij mij de volgende voorwerpen, waarvan ik U den inventaris overhandig geplunderd.
Ik heb vernomen dat de plundering werd begaan door belgische soldaten.
Ik geef aan als getuigen:
De Maeseneer Leon, meubelmaker, Brusselschestraat en De Bruyn Alfons, Korte Nieuwstraat 2 die mij zijne schriftelijke verklaring heeft overhandigd;
Ook Adhemar De Valkeneer, wonende te Aalst, Molenstraat.
Ik vraag om daarover een onderzoek te willen doen.”
Na lezing volhardt en naamtekent met ons
De Maeseneer Leon, oud 46 jaren, meubelmaker, wonende te Aalst, Houtmarkt nr. 3 die ons zegt:
“Op 17 Mei 1940, rond 10 uur voormiddag heb ik in de Brusselschestraat gezien, dat drie belgische soldaten en waarvan eenen het glas van de deur van de woning van Hippoliet Backaert met de kolf van zijn geweer verbrijzelde, ook in het huis van gezegde Backaert binnen gedrongen zijn.
Een kwart uur nadien heb ik bemerkt terwijl ik aan mijn deur stond dat twee van diezelfde soldaten een pak onder den arm droegen en dat de derde soldaat een flesch drank droeg.”
Na voorlezing volhardt en naamteekent met ons
De Valckeneer Adhemar, oud 70 jaar, pasteibakker, wonende te Aalst, Molenstraat nr. 5 die ons zegt:
“Ik heb gezien dat twee belgische soldaten de vitrien van huis Backaert Hippoliet met den kolf van hun geweer hebben uitgeslagen, en heb ook gezien dat ze in dat zelfde huis gedrongen zijn. Ik ben op mijn stappen voortgegaan en heb niet gezien dat ze voorwerpen meegedaan hebben.
Dit is alles wat ik daarover kan zeggen.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons
Waarvan akte den 13 Juli 1940
Plundering van allerhande koopwaar, ten nadeele van Backaert Hippoliet, op 17 Mei 1940
13 Juli veertig
Voor ons Schollaert Jozef, adjunkt-politie ……………….. verschijnt:
Backaert Hippoliet, oud 35 jaren, winkelier, wonende te Aalst, Brusselschestraat nr. 6/2 die ons de volgende klacht doet:
“Op 17 Mei 1940; tijdens ik op de vlucht was en mijn woning onbewoond stond werden bij mij de volgende voorwerpen, waarvan ik U den inventaris overhandig geplunderd.
Ik heb vernomen dat de plundering werd begaan door belgische soldaten.
Ik geef aan als getuigen:
De Maeseneer Leon, meubelmaker, Brusselschestraat en De Bruyn Alfons, Korte Nieuwstraat 2 die mij zijne schriftelijke verklaring heeft overhandigd;
Ook Adhemar De Valkeneer, wonende te Aalst, Molenstraat.
Ik vraag om daarover een onderzoek te willen doen.”
Na lezing volhardt en naamtekent met ons
De Maeseneer Leon, oud 46 jaren, meubelmaker, wonende te Aalst, Houtmarkt nr. 3 die ons zegt:
“Op 17 Mei 1940, rond 10 uur voormiddag heb ik in de Brusselschestraat gezien, dat drie belgische soldaten en waarvan eenen het glas van de deur van de woning van Hippoliet Backaert met de kolf van zijn geweer verbrijzelde, ook in het huis van gezegde Backaert binnen gedrongen zijn.
Een kwart uur nadien heb ik bemerkt terwijl ik aan mijn deur stond dat twee van diezelfde soldaten een pak onder den arm droegen en dat de derde soldaat een flesch drank droeg.”
Na voorlezing volhardt en naamteekent met ons
De Valckeneer Adhemar, oud 70 jaar, pasteibakker, wonende te Aalst, Molenstraat nr. 5 die ons zegt:
“Ik heb gezien dat twee belgische soldaten de vitrien van huis Backaert Hippoliet met den kolf van hun geweer hebben uitgeslagen, en heb ook gezien dat ze in dat zelfde huis gedrongen zijn. Ik ben op mijn stappen voortgegaan en heb niet gezien dat ze voorwerpen meegedaan hebben.
Dit is alles wat ik daarover kan zeggen.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons
Waarvan akte den 13 Juli 1940
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
Plundering van een winkel, Drie Sleutelsstraat 62 van Van Laethem Germain
Plundering van een winkel, Drie Sleutelstraat 62, eigendom van Van Laethem Germain, te Aalst, tusschen 18 en 20-5-1940
14 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ………………… verschijnt:
VAN LAETHEM GERMAIN, oud 36 jaar, mekanieker, wonende alhier, Drie Sleutelstraat 62, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Ik heb hier op het stadhuis aangifte gedaan van de (onleesbaar) die mij berokkend is door plundering is mijn woning (onleesbaar) heeft een mij ter kennis gebracht dat ik ten politiebureel moest klacht neerleggen.
Op 18-5-1940 om 9 uur 30 heb ik met mijn gezin mijn huis verlaten. Acht dagen nadien ben ik teruggekeerd en mijne zuster Marie bracht mij ter kennis dat er tusschen 18 en 20-5-1940 in mijn huis geplunderd was. Ik heb een deurwaarder gevraagd om vast te stellen wat er al verdwenen was en laat u afschrift van de vaststelling. Ik houd winkel in ondergoed. Ik kan niet zeggen wie zich aan die plundering heeft plichtig gemaakt, het slot der voordeur was geforceerd maar niet gebroken. Ik kan alleen twee getuigen aangeven die de staat van mijn huis gezien hebben na hun terugkomst; mijn zuster Maria Van Laethem en Bastiaens Julia, eerstgenoemde had voor mijn thuiskomst mijn winkel reeds in orde gebracht.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Wij onderhooren VAN LAETHEM MARIA, oud 48 jaar, huishoudster, wonende alhier, Drie Sleutelstraat 62, die ons verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Op maandag 20-5-1940, rond 20 uur ben ik thuis gekomen en heb gezien dat het huis van mijn broeder Germain Van Laethem geplunderd was. Het slot was geforceerd. Wie zich aan die plundering heeft plichtig gemaakt kan ik niet zeggen. Ik heb den winkel in orde gebracht voor dat mijn broeder naar huis gekomen is.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
BASTIAENS JULIA, oud 36 jaar, huishoudster, weduwe van Düren Jan, wonende alhier, Drie Sleutelstraat 62, verklaart wat volgt:
“Ik ben ook naar huis gekomen op 20-5-1940 en heb gezien dat den winkel van Germain Van Laethem geplunderd was. Alles lag onderste boven. Wie zich aan die plundering heeft plichtig gemaakt kan ik niet zeggen.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Wij opsteller zijn van oordeel gezien de ligging, in de Drie Sleutelstraat geen burgers meer aanwezig waren en de plundering het werk is van soldaten. In de buurt hebben wij geen inlichtingen kunnen bekomen.
Hierbijgevoegd een opgave van de verdwenen koopwaar ons overhandigd door Van Laethem Germain.
Waarvan akte te Aalst, den 16-7-1940
14 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ………………… verschijnt:
VAN LAETHEM GERMAIN, oud 36 jaar, mekanieker, wonende alhier, Drie Sleutelstraat 62, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Ik heb hier op het stadhuis aangifte gedaan van de (onleesbaar) die mij berokkend is door plundering is mijn woning (onleesbaar) heeft een mij ter kennis gebracht dat ik ten politiebureel moest klacht neerleggen.
Op 18-5-1940 om 9 uur 30 heb ik met mijn gezin mijn huis verlaten. Acht dagen nadien ben ik teruggekeerd en mijne zuster Marie bracht mij ter kennis dat er tusschen 18 en 20-5-1940 in mijn huis geplunderd was. Ik heb een deurwaarder gevraagd om vast te stellen wat er al verdwenen was en laat u afschrift van de vaststelling. Ik houd winkel in ondergoed. Ik kan niet zeggen wie zich aan die plundering heeft plichtig gemaakt, het slot der voordeur was geforceerd maar niet gebroken. Ik kan alleen twee getuigen aangeven die de staat van mijn huis gezien hebben na hun terugkomst; mijn zuster Maria Van Laethem en Bastiaens Julia, eerstgenoemde had voor mijn thuiskomst mijn winkel reeds in orde gebracht.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Wij onderhooren VAN LAETHEM MARIA, oud 48 jaar, huishoudster, wonende alhier, Drie Sleutelstraat 62, die ons verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Op maandag 20-5-1940, rond 20 uur ben ik thuis gekomen en heb gezien dat het huis van mijn broeder Germain Van Laethem geplunderd was. Het slot was geforceerd. Wie zich aan die plundering heeft plichtig gemaakt kan ik niet zeggen. Ik heb den winkel in orde gebracht voor dat mijn broeder naar huis gekomen is.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
BASTIAENS JULIA, oud 36 jaar, huishoudster, weduwe van Düren Jan, wonende alhier, Drie Sleutelstraat 62, verklaart wat volgt:
“Ik ben ook naar huis gekomen op 20-5-1940 en heb gezien dat den winkel van Germain Van Laethem geplunderd was. Alles lag onderste boven. Wie zich aan die plundering heeft plichtig gemaakt kan ik niet zeggen.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Wij opsteller zijn van oordeel gezien de ligging, in de Drie Sleutelstraat geen burgers meer aanwezig waren en de plundering het werk is van soldaten. In de buurt hebben wij geen inlichtingen kunnen bekomen.
Hierbijgevoegd een opgave van de verdwenen koopwaar ons overhandigd door Van Laethem Germain.
Waarvan akte te Aalst, den 16-7-1940
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
Plundering van het huis van Bauwens Gustaaf
Plundering van het huis bewoond door Bauwens Gustaaf, te Aalst, den 18-5-1940
16 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ………………… verschijnt:
BAUWENS GUSTAAF, oud 46 jaar, handelaar en mandenmaker, wonende alhier, Denderstraat 2, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Toen ik alhier op het stadhuis aangifte deed van mijn oorlogsschade door plundering, bracht men mij ter kennis dat ik op het politiebureel hoefde klacht neer te leggen.
Op 18-5-1940, in den vroegen morgen heb ik met mijn gezin mijne woning verlaten, daar ik de plaats die ik bij den Dender bewoonde te gevaarlijk achtte om er te blijven.
Ik ben teruggekeerd op Zondag 19-5-1940, rond 19 uur nadat de Duitschers de stad hadden bezet.
Bij mijn thuiskomst stelde ik vast dat mijn voordeur geforceerd was en dat mijn huis geplunderd was.
In mijn huis is een overjas van mij en mijne vrouw gestolen, ook een heerenrijwiel een gouden manstrouwring, een dasspeld in goud, een jongenskostuum, 4 paar lakens, 2 wollen dekens, 2 paar schoenen, een voorraad conserven en een voorraad likeuren.
Mijn brandkas die in de (stuk tekst onleesbaar) pleintje en vastgemaakt was met ketting en slot is ook verdwenen.
Ik heb vernomen dat de plundering in mijn huis het werk is geweest van soldaten, bijzonder voor wat betreft de likeuren.
Ik geef als getuige van de plundering: Schouppe Edgard, wonende Veldstraat.
Ik overhandig u een lijst van de bij mij geplunderde waar en zaken, zooals ik heb overgegeven op het bureel voor oorlogsschade.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Wij onderhooren, SCHOUPPE EDGARD, oud 61 jaar, garagist, wonende alhier, Denderstraat 11, die ons verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Ik heb gezien dat soldaten waarvan ik de eenheid niet ken, geholpen door vluchtelingen, die ik ook niet ken, op 17 of 18-5-1940, bij Bauwens Gustaaf buiten kwamen met likeuren in den arm. De soldaten deelden het weggenomene uit aan vluchtelingen of laadden het op een autocamion. Ik heb de soldaten ook zien buiten komen bij Bauwens met gevulde valiezen en duivenmanden, doch ik weet dat die valiezen gevuld waren met koopwaar van het huis daarneven.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Hierbijgevoegd een lijst van de ontvreemde koopwaar ons overhandigd door Bauwens Gustaaf en door hem onderteekend.
Waarvan akte te Aalst, den 17-7-1940
16 Juli veertig
Voor ons Paelinck Louis, adjunkt-politie ………………… verschijnt:
BAUWENS GUSTAAF, oud 46 jaar, handelaar en mandenmaker, wonende alhier, Denderstraat 2, die ons bij wijze van klacht verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Toen ik alhier op het stadhuis aangifte deed van mijn oorlogsschade door plundering, bracht men mij ter kennis dat ik op het politiebureel hoefde klacht neer te leggen.
Op 18-5-1940, in den vroegen morgen heb ik met mijn gezin mijne woning verlaten, daar ik de plaats die ik bij den Dender bewoonde te gevaarlijk achtte om er te blijven.
Ik ben teruggekeerd op Zondag 19-5-1940, rond 19 uur nadat de Duitschers de stad hadden bezet.
Bij mijn thuiskomst stelde ik vast dat mijn voordeur geforceerd was en dat mijn huis geplunderd was.
In mijn huis is een overjas van mij en mijne vrouw gestolen, ook een heerenrijwiel een gouden manstrouwring, een dasspeld in goud, een jongenskostuum, 4 paar lakens, 2 wollen dekens, 2 paar schoenen, een voorraad conserven en een voorraad likeuren.
Mijn brandkas die in de (stuk tekst onleesbaar) pleintje en vastgemaakt was met ketting en slot is ook verdwenen.
Ik heb vernomen dat de plundering in mijn huis het werk is geweest van soldaten, bijzonder voor wat betreft de likeuren.
Ik geef als getuige van de plundering: Schouppe Edgard, wonende Veldstraat.
Ik overhandig u een lijst van de bij mij geplunderde waar en zaken, zooals ik heb overgegeven op het bureel voor oorlogsschade.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Wij onderhooren, SCHOUPPE EDGARD, oud 61 jaar, garagist, wonende alhier, Denderstraat 11, die ons verklaart wat volgt in ’t Vlaamsch:
“Ik heb gezien dat soldaten waarvan ik de eenheid niet ken, geholpen door vluchtelingen, die ik ook niet ken, op 17 of 18-5-1940, bij Bauwens Gustaaf buiten kwamen met likeuren in den arm. De soldaten deelden het weggenomene uit aan vluchtelingen of laadden het op een autocamion. Ik heb de soldaten ook zien buiten komen bij Bauwens met gevulde valiezen en duivenmanden, doch ik weet dat die valiezen gevuld waren met koopwaar van het huis daarneven.”
Na lezing volhardt en naamteekent met ons.
Hierbijgevoegd een lijst van de ontvreemde koopwaar ons overhandigd door Bauwens Gustaaf en door hem onderteekend.
Waarvan akte te Aalst, den 17-7-1940
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)
Plundering van het huis van VAN DEN BERGHE Gustaaf
Plundering van het huis van VAN DEN BERGHE Gustaaf Aalst, tusschen den 18 & 20 Mei 1940
twaalfden Juli veertig, om 10.20 uur voormiddag
Voor ons DE VEYLDER Alfred – Adjunkt-Politie ……. verschijnt:
VAN DEN BERGHE Gustaaf, 78 j. gepensioeneerde – wonende te Aalst, Lindenstraat 75, die ons verklaart wat volgt:
“Den Zaterdag 18 Mei ll. heb ik ten gevolge van het bombardement onzer stad mijn huis en de stad verlaten. Den Maandag 20 Mei daarop ben ik teruggekeerd en heb ik bestatigd dat eene ruit van de deur uitgeslagen was, vervolgens is mijne deur opengedaan, mijn huis binnengedrongen en gansch geplunderd.
Toen ik vertrokken ben waren er Belgische soldaten in de straat, ik denk dat die soldaten in mijn huis gedrongen zijn en het geplunderd hebben, daar niemand in de buurt nog thuis was en ik de eerste was die teruggekeerd ben.
Ik overhandig u de lijst van hetgeen bij mij gestolen of beschadigd of gebroken is.”
Hierbijgevoegd de lijst ons door VAN DEN BERGHE Gustaaf overhandigd.
Waarvan akte te Aalst, den 18 Juni 1940
De Adjunkt-politiecommissaris
twaalfden Juli veertig, om 10.20 uur voormiddag
Voor ons DE VEYLDER Alfred – Adjunkt-Politie ……. verschijnt:
VAN DEN BERGHE Gustaaf, 78 j. gepensioeneerde – wonende te Aalst, Lindenstraat 75, die ons verklaart wat volgt:
“Den Zaterdag 18 Mei ll. heb ik ten gevolge van het bombardement onzer stad mijn huis en de stad verlaten. Den Maandag 20 Mei daarop ben ik teruggekeerd en heb ik bestatigd dat eene ruit van de deur uitgeslagen was, vervolgens is mijne deur opengedaan, mijn huis binnengedrongen en gansch geplunderd.
Toen ik vertrokken ben waren er Belgische soldaten in de straat, ik denk dat die soldaten in mijn huis gedrongen zijn en het geplunderd hebben, daar niemand in de buurt nog thuis was en ik de eerste was die teruggekeerd ben.
Ik overhandig u de lijst van hetgeen bij mij gestolen of beschadigd of gebroken is.”
Hierbijgevoegd de lijst ons door VAN DEN BERGHE Gustaaf overhandigd.
Waarvan akte te Aalst, den 18 Juni 1940
De Adjunkt-politiecommissaris
De taak van historici is te herinneren wat anderen vergeten. (Eric Hobsbawm)